Pixels | Items #?, 0000
Je zet een heleboel mensen bij elkaar, bijvoorbeeld in een stadion. Op elke zitplaats ligt een gekleurd bord. De mensen weten dat ze bij een bepaald signaal het bord boven hun hoofd moeten houden. En bij een ander signaal moeten ze het omdraaien.
Dat je daarmee heel erg grote beeldschermen kunt maken was al lang geleden in China te zien.
Het nadeel van zo’n techniek is dat je er maar twee afbeeldingen mee kunt maken, dus als medium voor video of tekst is het niet zo handig. Bovendien heb je er veel mensen voor nodig die net zo gehoorzaam zijn als transistoren en dat wordt steeds lastiger met het verdwijnen van de traditionele dictaturen. Oma’s hanteren hetzelfde principe door letters uit kruissteken op te bouwen, maar oma’s hebben daarvoor geen anderen nodig, ze hebben tijd genoeg.
In de begindagen van de computer was alles ook nog simpel. Bijna alle beeldschermen van vóór 1985 hadden geen grafische mogelijkheden. Letters werden opgebouwd uit een matrix van 5x7 of 6x9 pixels waarbij de vorm hard in het geheugen van het scherm was vastgelegd. Met de introductie van de Apple Macintosh (en nog een aantal andere merken die de strijd niet overleefd hebben) in 1985 kwam daar verandering in. Niet het beeldscherm zelf, maar de computer bepaalde de vorm van de letters, waardoor het mogelijk werd om verschillende lettertype en corpsen tegelijk op het scherm weer te geven. Het grote verschil tussen toen en nu is dat alle letters nog steeds in de vorm van pixels (zwart/wit) handmatig werden getekend. Het Altsys programma Fontastic maakte het mogelijk om zelf ontwerpen te “pixelen” en aan het systeem toe te voegen. Er was een totale scheiding met de werkelijke tekening van de letters “outline” want die was door Adobe – goed beveiligd – opgeslagen als “Type1 PostScript” informatie in het geheugen van de eerste Laserwriters. Zelf letters maken met het programma Fontographer, ook van Altsys, beperkte zich tot “Type3” fonts. Adobe had er voor gezorgd dat de letters met deze techniek altijd net wat minder van kwaliteit waren dan de eigen Type1 fonts (ondermeer door altijd een pixel extra rond een outline toe te voegen). Pas toen het bedrijf Bitstream deze beveiliging had gekraakt werd het mogelijk om outlines te maken met “hints”. Hints zijn instructies die aan een outline (denk daarbij aan een kralenketting van punten die de vorm van een letter definiëren) worden toegevoegd om aan te geven hoe de punten zich moeten gedragen in kleine corpsen en/of lage resoluties. Zonder de juiste hints kan het gebeuren dat de linker- en rechter stok van een “m” uit 1 pixel bestaat en de middelste uit 2 pixels, omdat de afronding van de punten op een grof pixelraster net zo uitkomt.
In de computers van tegenwoordig bestaan geen pixelfonts meer. De rekensnelheid is sinds 1985 zo enorm toegenomen, dat het mogelijk is om alle letters uit te rekenen op het moment dat je ze nodig hebt in een bepaalde grootte. Alle letters die we zien worden omgezet van outline naar de pixels die bij een bepaald corps horen. Ook hele grote letters worden zo goed afgebeeld, we zien meer de uitvergrote pixelletters die moeilijk in een layout te positioneren waren omdat ze pas tijdens het printen goede letters opleverden.
Anti-aliasing
De toegenomen rekenkracht heeft sinds een paar jaar ook een andere techniek gemeengoed gemaakt: anti-aliasing. Pixels zijn daarbij niet meer uitsluitend zwart of wit, maar kunnen een groot aantal tussenwaarden weergeven. Daarmee kan ondermeer de vorm van schreven, bogen en lijnen met klein hoek (zoals in cursieven) beter worden weergegeven. Dat gaat wel ten koste van de scherpte van de contour, maar bij kleine corpsen is dat in veel gevallen ondergeschikt aan de het juiste contrast en de juiste spatiëring. Mits goed toegepast kan anti-aliasing een enorme bijdrage leveren aan de leesbaarheid van tekst.
Maar met name in die goede toepassing gaat het heel vaak mis. Letterontwerpers en -uitgevers moeten een aantal keuzen doen die direct invloed hebben op de weergave van de letters op een beeldscherm. Het probleem speelt voor drukwerk nauwelijks (meer) omdat de resolutie van zetmachines zo enorm veel groter is dat die van de huidige beeldschermen. De belangrijkste dilemma’s zijn:
- het goed hinten van letters vergt een enorme handmatige inspanning. De kosten daarvan staan niet in verhouding tot de marktprijs van lettertypen en daardoor kunnen alleen grote uitgeverijen zich dat voor een beperkt aantal lettertypen veroorloven (zoals het geval is bij Verdana en Georgia van MS Windows).
- er bestaan een fundamenteel verschil tussen WYSIWYG (“What You See Is What You Get”, waarbij het streven is om de beeldschermletters er zoveel mogelijk als drukwerk uit te laten zien) en het optimaliseren van letters voor de eigenschappen en resolutie het medium (zoals een bepaald type beeldscherm). Optimalisatie naar WYSIWYG zal onregelmatigheden in tekst introduceren om de afronding in het verloop van de drukwerkletters te compenseren. De juiste spatiëring en kerning is in de grove pixelmatrix niet goed weer te geven.
Optimalisatie voor beeldscherm maakt dat de regeleinden niet meer kloppen. Vanuit WYSIWYG ook niet wenselijk. In het ontwerp van Verdana en Georgia is het probleem opgelost door de drukwerkletters op de beeldschermtoepassing te baseren, maar dat maakt deze letters voor het gebruik in drukwerk niet ideaal.
Een andere aanpak is om de spatiëring en vorm zoveel mogelijk in tact te laten en de afrondingen op te vangen met anti-aliasing. Het levert een redelijk resultaat op, maar het grote nadeel is dan weer dat gelijke letters in een regel er verschillend uit gaan zien. De illustraties laten zien wat de consequenties van deze beslissingen is. In extreme situaties kan dat betekenen dan in een “ll” combinatie de eerste stok uit een rij zwarte pixels bestaat en de tweede stok uit een rij dubbele grijze pixels. Iets dergelijks is in het woord “Illinois” te zien, waarbij de eerste vier stokken grijs zijn en de rest van het woord zwart. Dit voorbeeld is direct van een Macintosh screen gehaald. Ook deze techniek is vanuit het oogpunt van leesbaarheid dus niet wenselijk.
Helaas is het juist deze techniek die in alle moderne operating-systemen wordt gebruikt. Microsoft gaat met de introductie van ClearType zelfs nog een stap verder door ook het verschil tussen de kleurpunten van een kleurenbeeldscherm te gebruiken. Door bijvoorbeeld de van een zijkant van een stok de anti-aliasing niet als grijstint maar als kleur weer te geven, is het in theorie mogelijk om alleen de kleurpixel aan te sturen die tegen de stok aan zit. Maar ondanks de stevige promotie van ClearType door Microsoft zitten er nogal wat nadelen aan deze techniek. Zo werkt het alleen maar als bekend is wat precies de volgorde van de Rood-Groen-Blauw punten op een beeldscherm is. Vooral bij oudere beeldscherm is dat een probleem omdat vroeger niet uitmaakte. Binnen eenzelfde serie beeldschermen kan dat dus wisselen en er is ook geen manier waarop het operating-systeem daar achter kan komen. De oplossing van MS om een applicatie bij te sluiten waarmee gebruiker zelf de instelling kunnen veranderen, maar daar zal het in de praktijk vaak niet van komen. Het gevolg is dat de oplossing averechts werkt omdat dan de rode punt juist ver van de stok af komt te staan. Bovendien lost zo’n applicatie het probleem van het gelijktijdig gebruik van verschillende schermen niet op.
Sinds zijn 1985 zijn er een aantal momenten geweest waarop de wereld van fonts eenvoudiger leek te worden. Met de komst van Adobe’s Type1 PostScript fonts kwam een eind aan de tijd waarin elke fabrikant van zetmachines zijn eigen techniek ontwikkelde, zoveel mogelijk verschillende van alle concurrenten. Maar een paar jaar later volgde al de ontwikkeling van TrueType, gezamenlijk door Apple en Microsoft met als doel het monopolie van Adobe te doorbreken. TrueType is in bijna alle opzichten niet compatible met Type1.
Om het uiteengroeien van de technieken te stoppen werd in 1997 OpenType geïntroduceerd, dit keer gezamenlijk door Adobe en Microsoft (Apple deed niet mee) als lijmpoging om Type1 en TrueType samen te brengen. In werkelijkheid is de oplossing vooral cosmetisch. OpenType is meer een container waarin beide techniek, zelfs tegelijk, in kunnen worden toegepast.
Nu tien jaar later zijn de verschillen alleen nog maar groter geworden. De dilemma’s worden door verschillende partijen in verschillende programma’s vaak willekeurig op een verschillende manier opgelost en er is niemand meer die echt overzicht heeft wat er zich nu precies in de code van de operating-systemen afspeelt. In sommige gevallen werken de oorspronkelijk programmeurs allang ergens anders en niemand durft nog aan de code te komen omdat anders bestaande applicaties het misschien niet meer doen. Geen goed nieuws dus, voor typografen die dachten dat met elke introductie van een operating-systeem het probleem een beetje verder wordt opgelost. Het tegendeel is waar. Het probleem van het westerse schrift is dat tekst pas echt onleesbaar wordt als de kwaliteit heel erg slecht is. Dat ligt heel anders bij het Chinees (en natuurlijk ook Kanji en Koreaans), waarbij de karakters soms enorm veel details bevatten. Het is dan ook niet voor niets dat schermen met extreem hoge resolutie vooral daar zo snel in opkomst zijn. Met een 1200 dpi scherm kan dit artikel als niet geschreven worden beschouwd.
Vanzelfsprekend is het nooit optimaal om de illustraties van een artikel over lettertypen voor beeldscherm af te beelden als drukwerk, zoals in dit artikel. De illustraties zijn daarom ook te downloaden van http://www.petr.com/items/beeldscherm/index
Met dank aan David Berlow (www.fontbureau.com) voor input en illustraties.




