- Optisch

2006
Over lijken | Items #4, 2006
Zijn de dingen of zijn ze niet? Dat is al erg lang een vraag en het antwoord schijnt niet dichterbij gekomen. Of lijkt het antwoord niet dichterbij gekomen? Of blijkt het? Als je het taalgebruik van veel medelanders mag geloven, zit er tussen schijnen, lijken en blijken geen verschil. In ieder geval worden de woorden vaak willekeurig door elkaar gebruikt. Een ander mooi misverstand is het antwoord van een student op de vraag wat hij precies met een ontwerp bedoelt: “Dat is toch duidelijk”, om daarmee het tegendeel te bewijzen.
Dingen die lijken of schijnen zijn dat meestal niet. Anders was dat wel gebleken. We leven in een wereld waar veel zaken zich anders voordoen dan hoe ze echt zijn. Niet voor niets is het begrip “waarheid” een belangrijk onderwerp in het jaar van de filosofie [Volkskrant xxx.xxx]. Hoe groot de inspanning van filosofen en taalwetenschappers ook is om vast te stellen dat waarheid zich alleen via taal kan manifesteren (“A = A” is waar terwijl “A is niet A” onwaar is), toch blijven we opgescheept met een groot aantal onoplosbare taalkundige paradoxen (“Wie dit leest, kan niet lezen”, “Alle ontwerpers spreken de waarheid. Ik lieg” en “Opdrachtgevers hebben altijd gelijk. En als dat niet zo is, is de zin hiervóór van toepassing”).
Het probleem beperkt zit niet tot taal alleen. Mooi of niet, de kampioen van visuele paradoxen is natuurlijk Escher die met zijn omhooglopende waterstromen en in elkaar gedraaide kubussen het “lijken” tot kunst heeft verheven. Niet voor niets hangen ze bij menig wiskunde leraar en programmeur aan de muur.
Maar ook voor ontwerpers is het interessant om de waarheid te verdraaien. Het is een deel van de opdracht om een verpakking zo te ontwerpen dat die meer vruchtenyoghurt lijkt te bevatten dan de zuivelfabriek er in hoeft te doen. Een leverancier heeft er altijd baat bij om te zorgen dat zijn product er beter, groter, sneller, duurder, interessanter, vrolijker, gezonder en alternatiever uitzien dan werkelijk het geval is. De ontwerper gebruikt daarvoor respectievelijk bekende Nederlanders, perspectief, strepen, goud, chemische formules, smileys, groen en subcultuur symbolen. Dat die toevoegingen het product geen spat beter maken weet iedereen wel, maar toch is de onbewuste verleiding te groot, zelfs voor de meest doorwinterde realist.
Maar ook met minder commerciële doelen zijn “lijken” en “schijnen” begrippen waar ontwerpers mee moeten kunnen omgaan.
Het probleem is de manier waarop wij kijken (en horen, ruiken, voelen). We kunnen zo goed associëren, dat we het in ons hoofd niet uit kunnen zetten. (Het is natuurlijk meer dan bekend dat je reuk niet uit kan schakelen. De onverwachte associatie van een geur op straat met hoe het thuis rook bij een vriendjes van de lagere school moet al tientallen jaren latent in je hoofd hebben gezeten. Je bedenkt het niet). Ook al weet je als het ontwerper dat het flauwekul is, toch ziet een tekening met parse partout er netter uit. De schilder en de fotograaf kijken graag door een rechthoek van hun vingers. En de regisseur kijkt liever op het beeldscherm mee dan naar de echte scène. De architect gaat op zijn knieën voor de maquette liggen en de middelbare scholier stopt een hoop herrie in zijn oor om zich beter te kunnen concentreren.
Ondanks alle ervaring is een beeld beter te beoordelen als het is afgekaderd van zijn omgeving, losgemaakt van het visuele en auditieve geweld in de omgeving. Natuurlijk heeft een schilderij zijn eigen zeggingskracht, maar niemand zal kunnen ontkennen dat een lijst en serene omgeving ook niet te verwaarlozen factoren zijn.
Het is altijd een interessante discussie met studenten om vast te stellen wanneer optische wetmatigheden in smaak overgaan. Want dat deze twee niet hetzelfde zijn, is duidelijk. Denk aan het bekende voorbeeld van de schuine lijnen die bij het nameten toch parallel blijken te zijn. De lijken schuin, maar ze zijn het niet. Of van de pijlen die een verschillende lengte lijken te hebben, maar in werkelijkheid toch even lang zijn. Wat is nu waar, hoofd of lineaal? In ieder geval is duidelijk dat het hier niet om smaak gaat. Er zullen niet veel mensen te vinden zijn die het tegendeel zien (dat de lijnen dus op de tegengestelde manier schuin lopen en dat de pijlen inderdaad evenlang zijn).
De letterontwerper heeft al deze trucs tot kunst verheven, maar meestal met een tegenovergesteld doel. Om te zorgen dat alle letters evengroot lijken, is het juist nodig om ze allemaal verschillend te maken. Elke ronding, uitsteeksel, aanhechting, binnenvorm, kijkafstand en aangrenzend letters hebben tot gevolg dat we de vormen anders zien dan ze in werkelijkheid zijn. De ontwerper moet zich letterlijk (in die kader een opmerkelijk woord) in alle bochten wringen om te zorgen dat zijn letters netjes naast elkaar lijken te staan. Het vormverschil tussen een ronde “O” en een vierkante “H” maakt dat de “O” groter moet zijn en ook nog onder de regel uit moet hangen om te zorgen dat de letters evengroot lijken. En in nog grotere mate geldt dat voor het uitzakken van de spitse punten van de “V” (tenzij de onderkant plat is, want dan gebeurt er weer wat anders).
Het is een aardige oefening om eerstejaars studenten een vierkant van 60 mm te laten tekenen. En ze daarna aan weerszijde een cirkel en een driehoek te laten tekenen die evengroot lijken. Sommigen luisteren niet en maken een cirkel met een diameter van 60 mm. Anderen luisteren te goed en tekenen een cirkel met een diameter die gelijk is aan de diagonaal (60 * wortel 2 = 85 mm) van het vierkant. Allebei fout, want de cirkel die goed lijkt heeft een diameter van ongeveer 69 mm. Of er zijn slimmeriken die de diameter van de cirkel zo berekenen dat het oppervlak precies gelijk wordt aan dat van het vierkant. Zij zijn op de goede weg, maar in praktijk is die benadering toch niet goed genoeg. Het vorm van hoekpunt werkt optisch toch anders dan die van de overstekende ronde vorm van de cirkel. Dat word duidelijk door de uiterste punten van het vierkant uit te rekken als een kussensloop zonder dat het oppervlak noemenswaardig groter wordt. De cirkel moet dan groter worden om hem even groot te laten lijken.
Het bespreken van het werk van de studenten is eenvoudig: alle oplossingen zonder discussie zijn fout. Alle oplossingen waar discussie over is zijn goed. In praktijk liggen de diameters van de cirkels dan tussen de 68.5 en 69.5 mm. Tussen die kleine marge is wel alles aan te duiden met “verschil van smaak”.
- 60 | Een cirkel met dezelfde diameter is te klein;
- 67.70 | Een cirkel met hetzelfde oppervlak is net iets te klein, maar redelijk goed. Hij valt binnen de marge van de discussie;
- 69 | De goede optische grootte;
- 84.85 | Een cirkel met dezelfde diagonaal is te groot.
Voor de driehoek gebeurt iets dergelijks, maar dan ingewikkelder. Doordat een driehoek niet tegelijk horizontaal en vertikaal symmetrisch is (bij de “V” zijn links en rechts wel gelijk, maar hij is van boven anders dan aan de onderkant) gaat daar ook meespelen dat we gewend zijn om vormen aan de onderkant iets zwaarder te zien dan aan de bovenkant. De horizontale balk van een “H” zit iets boven het midden om vertikaal symmetrisch te lijken, de horizontale balk van de “E” is aan de onderkant langer dan aan de bovenkant waardoor ze hetzelfde lijken en de schreef rechtsonder de “F” is net wat langer dan aan de linkerkant van de stok om te zorgen dat de letter niet naar rechts om lijkt te vallen. De letterontwerper weet dit allemaal en compenseert ons hoofd door het tegengestelde te tekenen. Alles wat te klein lijkt wordt een klein beetje groter (de “O”) en alles wat te groot lijkt (de zwarte klont die je krijgt bij aanhechtingen van stok en boog) wordt een beetje kleiner gemaakt. En dan stellen we het ons nu allemaal eenvoudiger voor dan het is. In werkelijkheid beïnvloed alles alles. Zoveel zelfs dat de letters die links, rechts, boven en onder staan ook nog hun optische bijdrage aan het geheel leveren. Eigenlijk kunnen er dus geen twee “H’s” hetzelfde zijn, omdat de context van het woord waarin ze staan voortdurend verschilt. Maar dat is te veel van het goede. Er lijkt maar één zettechniek te bestaan waarmee je dat kan maken: schrijven. Maar het is de vraag of de moderne monnik daar nou op zit te wachten.
Het lijkt er misschien op dat deze column nu is afgelopen (je ziet het eind van de tekst al naderen), maar dat is voor de verandering wel waar.





